JV--logo-wit

PUBLICATIES

2005

BOEK: ‘Colour Matters’, abstracte kunst

Het boek ‘Colour Matters’ uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstellingen ‘Abstract Salon – Part One’ en ‘Abstract Salon – Part Two’. Deze tentoonstellingen vonden plaats in september / oktober 2004 en april / mei 2005, in Kunstruimte 09 – Herebinnensingel 9 – Groningen.

Abstracte Salon, deel één

Thomas Rajlich, Tineke Bouma, Rom Gaastra, JCJ Vanderheyden, Jus Juchtmans, Betty Simonides, Mark de Weijer, Alie Waalkens, Martin Scholte, Sybille Pattscheck, Vincent Hamel.

Abstracte Salon, deel twee

Joost van Oss, Ton Mars, Marian Breedveld, Kees Visser, Clary Stolte, Judith de Vet, Vosenvanderveen, W.J.M. Kok, Gerard Kodde, Jan van der Ploeg.

Tekst ‘Enkele opmerkingen’: Jacob van der Veen / jd vos (Curatoren Kunstruimte 09).
Tekst ‘Aan Jacob en Joke’: Han Steenbruggen (Conservator Groninger Museum).

Uitgegeven door: Stichting Kunstruimte 09
Formaat: 23×23 cm
Aantal pagina’s: 100
Druk: Plantijn Caspari
ISBN: nr 90-9019168-2

Enkele opmerkingen

In dit boek staan 21 beeldende kunstenaars uit Nederland, België en Duitsland. Ze namen deel aan de expositie Abstracte Salon – Part One en Part Two, respectievelijk september/oktober 2004 en april/mei 2005, in de Kunstruimte 09 in Groningen. De exposities pretendeerden niet een overzicht te geven van abstracte of voorstellingsloze – hoe men het ook wil noemen – kunst. Wat het wel is is een dwarsdoorsnede van de wijzen waarop de voorstellingsloze kunst nu schilderkunstige vorm krijgt. Formeel, intuïtief, conceptueel of poëtisch – het toont een diversiteit van strikt persoonlijke wijzen waarop-, en een scala aan middelen en materialen waarin het voorstellingsloze gestalte krijgt.

Voor de expositie ‘Part One’ haalden we werk van Rajlich op in Den Haag. Recent werk dat hij voor ons had achtergelaten bij een kennis. Hijzelf vertoefde elders. In de binnenstad van Den Haag boven een winkel in tweedehands 50-er en 60-er jaren design kwamen we in een donkere, vrij kleine huiskamer. Aan de wanden hingen zo’n 15 Rajlichs uit verschillende periodes, van eind jaren zestig tot nu. Daartussen nog werk van Schoonhoven en ander abstract en concreet werk. Tranen in de ogen kregen we ervan. Toen realiseerden we ons eigenlijk onze eigen motivatie voor het organiseren van de Abstracte Salons. Zelf hebben we geen geld om een dergelijke verzameling kunst te betalen, maar wat we wel kunnen is voor korte tijd onze eigen huiskamer creëren (zonder boekenkast, tafels, stoelen en planten) en inrichten met kunst die wij mooi vinden en verder vrijwel nooit te zien krijgen. En wat voor kwalificaties, interpretaties en beschrijvingen men van en over het getoonde werk ook mag bedenken: er was prachtige kunst bij, een lust voor het oog en een genot voor de zintuigen.

In een voortdurende zoektocht naar ‘jong’ en ‘vernieuwend’ worden kunstenaars en kunststromingen steeds sneller als achterhaald en anachronistisch betiteld. Immers, waar jong en vernieuwend is, is ook oud en verouderd. De gemiddelde omloopsnelheid van ‘nieuwe kunst’ en ‘jonge kunstenaars’ tegenwoordig wordt geschat op zo’n twee jaar. De achterliggende gedachte bij ‘jong en vernieuwend’ is de opvatting dat elke volgende generatie kunstenaars en ‘nieuwe kunststroming’ weer betere kunst zou maken dan de generaties ervoor. Onzin natuurlijk. De ontwikkeling van kunst is geen lineair positieve. In de ‘Abstracte Salon’ zijn de deelnemers niet geselecteerd op jong of oud, maar louter op basis van het werk. Dat er oudere kunstenaars bij zijn en relatief jongere is min of meer louter toeval. De meeste in dit boek opgenomen kunstenaars zijn nu tussen de 45 en 55 jaar oud. Daar is niet naar gestreefd. Toeval is het vast niet, want zou het niet zo kunnen zijn dat het soort werk, dat door deze kunstenaars wordt gemaakt, als goede wijn, alleen maar beter wordt in de loop der tijd. En daarom al niet geschikt zijn om te figureren in wat de ‘generatiegalop’ wordt genoemd en al helemaal niet in de kunstentertainment die tegenwoordig veelvuldig in musea en kunstinstellingen wordt getoond.

We brachten onlangs een licht beschadigd paneel naar een zagerij om er aan een zijde enkele millimeters af te laten zagen. ‘Voorzichtig’, zeiden we, ‘want het is een schilderij’. het paneel werd enkele malen om- en om gedraaid door de houtzager, waarna deze opmerkte: ‘waar is het schilderij dan?’ (het schilderij was, wellicht onnodig te vermelden, abstract: een wit vlak in olieverf met naar de randen een lichtviolet verloop).

We herinneren ons ook een gesprek met een kennis over een abstract schilderij. Dit gesprek verliep ongeveer als volgt: ‘Kijk, dat vlekje daar, dat lijkt wel een boom en dan wordt dit een horizon, zie je wel?’ ‘En als het schilderij nu negentig gedraaid wordt?’ ‘Ja, dan wordt het een muur of zo, een lambrisering kan ook’. ‘Kun je die invulling eens achterwege laten? En gewoon naar het werk zelf kijken?’ ‘Tja, dan wordt het pure decoratie natuurlijk’. Enfin, dit zette zich nog enige tijd zo voort.
Menigmaal hoorden wij tijdens de exposities ook de opmerking ‘ik zie er niks in’. Soms antwoordden we dan ‘nee, gelukkig niet’. Vervolgens wezen we op de schoonheid van een werk, de ruimtelijke werking van een ander, de materialiteit of juist de immateriële uitstraling ervan, de subtiele kleuren, de onderliggende constructie, de illusie van licht, het gebruik van klassieke of nieuwe materialen, de grensverlegging in de definitie van het begrip ‘schilderij’ etc. In een enkel geval leidde dit tot een andere waardering van het werk. Wat wij hiermee willen zeggen is dit: een beschouwer van het werk zal dezelfde attitude mee moeten brengen als die waarmee de kunstenaars hun werk maken: een open geest, aandacht en tijd.

De deelnemende kunstenaars werd gevraagd voor het boek een kort statement te leveren voor het boek. Dat kon een formele om- of beschrijving van hun werkwijze zijn, een verhelderend citaat van een scribent over hun werk, of anderszins. Men zou misschien verwachten dat de meest formeel werkende kunstenaars de meest formele teksten zouden hebben ingeleverd en de meer intuïtieve een wat intuïtievere tekst. Dat is niet zo. Het lijkt er eerder op, dat tussen woord en beeld een zeker evenwicht tussen formeel en informeel wordt gezocht.

Mochten we ten slotte nog gemeenschappelijke kenmerken in al het werk aan willen wijzen dan zouden we zeggen: KLEUR OF MATERIE.

Stichting Kunstruimte 09
Jacob van der Veen / jd vos

Beste Jacob en Joke,

Jullie initiatief om in de Kunstruimte aandacht te schenken aan ‘extreme’ vormen van non-figuratieve kunst heeft mij aangenaam verrast. Misschien nog wel het meest omdat ik er maar wat graag een reactie in zie op al die elkaar overschreeuwende kunsthistorici, conservatoren van musea en kunstcritici die menen dat de schilderkunst te ver is afgedreven van de alledaagse realiteit. Eén ervan hoorde ik tijdens de opening van een foto-tentoonstelling, hier in Groningen, schilders verwijten dat zij zich te weinig rekenschap geven van ‘de grote maatschappelijke problemen’. ‘De wereld wordt opgeschrikt door oorlog en terreur die beslissende impact zullen hebben op onze nabije toekomst en schilders doen alsof er niets aan de hand is. Ik moet eerlijk bekennen dat ik me enorm stoor aan dergelijke, aanmatigende kritiek. Op zich kan ik me het verlangen naar ‘eine revolutionaire Wende’ in de schilderkunst wel voorstellen. Ze komt voort uit het collectieve kunsthistorisch bewustzijn; de herinnering aan de grote avant-gardes met hun programma’s, stellingnames en ideologieën. Ze komt voort uit de gedachte dat beeldende kunst oplossingen kan aandragen, op z’n minst kan schuren en schaven aan dogma’s van maatschappelijke, politieke en religieuze aard. Maar ze gaat voorbij aan de wetenschap dat al die stromingen die oproer kraaiden uiteindelijk dat verschil niet konden maken, aan de onzinnigheid om het eertijdse kunstklimaat te projecteren op huidige en aan de gevolgtrekkingen die kunstenaars nadien juist daaraan verbonden. Ja, kunstenaars werden individualistischer, waren minder geneigd tot werken in gemeenschappelijkheid en zochten de waarheid steeds nadrukkelijker in zichzelf. Dat laatste gold nadrukkelijk voor schilderkunst. Ogenschijnlijk trok deze zich op zichzelf terug en concentreerden schilders zich op problemen die met de actualiteit weinig van doen leken te hebben. Daarbij werd verlies – als je dat zo mag zeggen – misschien wel winst. Nadat de schilderkunst zich ontworstelde aan richtingen zoals pop-art, minimal art, conceptual art en andere bewegingen binnen de moderne kunst en zich weer bewust werd van de onderscheidende kwaliteiten van haar techniek bakende ze haar rol ten opzichte van andere disciplines steeds meer af. Schilderkunst werd in veel opzichten het medium dat zich leent voor beschouwing, aandacht, introspectie en (zelf)reflectie. De eerste reactie liet zij zich aan fotografie, video. En daarmee wellicht ook een zekere vorm van engagement. Dat haar dat niet in dank werd afgenomen liet de eerder aangehaalde openbaar duidelijk merken. ‘Jonge schilders zouden moeten inspelen op de discussies die in de samenleving worden gevoerd.’ – Waarom hij zich hier alleen richtte tot jonge kunstenaars en wat hij dan precies van hen verlangde bleef mij onduidelijk -. Eigenlijk kan ik niks met zo’n opmerking. Waarom zou schilderkunst anders moeten zijn dan ze is. Wat willen ze dan van de schilder? Dat hij of zij de oorlog in Irak becommentarieert, het fundamentalisme aan de kaak stel of meer abstracte begrippen als onbegrip of onverdraagzaamheid tot onderwerp? Zulke mensen begrijpen naar mijn gevoel niets van schilderkunst, begrijpen niets van de traagheid van het medium en dat je in je werk juist los moet komen van alledaagse beslommeringen om tot iets te komen. Ze begrijpen ook niet dat je je onderwerpen of beelden niet zozeer kiest, maar dat ze zich vaak na lange tijd in je werk uitkristalliseren en dat zich dat niet in een bepaalde richting laat duwen. Ze dienen zich aan als fascinaties, verwonderingen en laten je niet los totdat je ze hebt uit-geschilderd. De kritiek is eigenlijk niet nieuw. Toen ik onlangs de uitgegeven breven van Hendrik Werkman nog eens door las stuitte ik op een passage waarin Werkman een bezoeker een van zijn druksels laat zien. Deze vraagt de kunstenaar naar het sociale vraagstuk in zijn werk. Let wel, de ontmoeting vond plaats tijdens de oorlogsjaren. Werkman schrijft: ‘Daar stond ik met de mond vol tanden. Ik kon er niks anders op antwoorden dan te zeggen dat dit mij bij mijn werk niet hoog genoeg zat en dat het mij het in ’t geheel niet om te doen was dit conflict uit te beelden. Wel heb ik hem nog dat blad laten zien [….], waar een man en een vrouw een onderhoud hebben. Daarbij heb ik de verklaring gegeven dat deze man zijn vrouw erover onderhoudt dat ze beter met de bonnen moet zien rond te komen en dat deze zaak een sociaal conflict van de eerste orde is. Maar, gelijk heeft de man, al komt het mij persoonlijk vreemd over dat men zoiets perse in een kunstwerk wil zoeken. En het zelfs kan aanvoelen als een gemis wanneer het ontbreekt. ‘
Dat het schilderonderwijs op academies sanering behoeft, dat steeds meer kunstenaarstalenten fotografie, video en computerkunst prefereren boven het ezel-schilderen. En dat een ongunstige invloed heeft op de gemiddelde kwaliteit, weet ik wel. Wat dat betreft bevindt de schilderkunst zich de laatste tijd zeker in een ongunstige positie. Maar haar op te zadelen met een oneigenljk probleem vind ik geen pas geven. Als er met betrekking tot engagement al een probleem is dan huist deze in de hoofden van kunsthistorici en -critici die zich misschien te weinig rekenschap geven van specifieke vaktechnische eigenschappen en de drijfveren van schilders.

De deelnemers aan jullie eerste en tweede kunstsalon laten de alledaagse werkelijkheid geen van allen in hun werk toe. Sterker nog, hun schilderijen lijken zich van tijd noch plaats veel aan te trekken. Wat mij tijdens die eerste expositie het meeste heeft getroffen was een monochroom schilderij dat een bijna transcendente sfeer opriep. Mijn kijken scheen te verdwijnen in een zeegroene nevel. En even leek het erop alsof de geconcentreerde stilte op (of beter in) het doek de hele kunstruimte in beslag nam. Wat mijn oog vreemd genoeg in diezelfde momenten van kijken registreerde was de grove textuur van verfdraden en -sporen. In elk met de brede kwast getrokken spoor van verf was de materie – soms zelfs voorzichtig – die kwaststreken waren geplaatst, het beeld niet alleen condenseerden en spanning verleende, maar ook een zekere kwetsbaarheid meegaven. Ik verwonder me er nog steeds over hoe de schilderende hand in staat bleek de aan het beeld opgedrongen materie zo te bezielen dat zij zich kan voordoen als transparante damp van kleur. Natuurlijk speelde het licht bij de beleving van het schilderij een belangrijke rol op de middag dat ik ervoor stond kwam het door een hoog raam de ruimte binnen; een bleke najaarszon die de doorploegende verfhuid liet tintelen en het schilderij deed loskomen van de witte wand. Datzelfde licht streek ook langs andere schilderijen, die onwillekeurig met elkaar een relatie aangingen. Ik stelde mij voor hoe ik introverte, naar binnen gekeerde schilderijen elkaar bespieden en aftasten, als open ogen aan de wand. – Het is misschien ook wel daarom dat bezoekers al snel de neiging vertonen stilte te betrachten in zalen waarin deze uitgezuiverde vormen van abstracte kunst heersen; elke beweging, elk geluid zou hun onderlinge geheimen kunnen verstoren. – Dat maakte mij nog eens bewust van de verantwoordelijke taak van de tentoonstellingsinrichter(s), want juist deze schilderijen vragen naar mijn gevoel naar afgewogen arrangement met ritmisch bepaalde tussenruimten. Alleen wanneer daaraan wordt voldaan is het emotionele bereik van de afzonderlijke werken optimaal; ontstaat er een spanningsveld waarin recht wordt gedaan aan de betekenis van de werken en hun onderlinge verhoudingen.

Dat ene schilderij bepaalde weliswaar voor een belangrijk deel mijn ervaring van de tentoonstelling, maar was er – gelukkig – niet exemplarisch voor. Uit de selecties van de eerste en vooral de tweede kunstsalon blijkt dat jullie willen putten uit een breed aanbod van abstracte schilderkunst, uiteenlopend van monochrome werken tot schilderijen waarin semiotische elementen figureren, composities die onpersoonlijk van aard zijn tot emotionele geladen en zelfs lyrisch getinte beelden. En het is prettig te constateren dat jullie je daarbij niet laten storen door kunsthistorische dogma’s. en (voor)oordelen, maar afgaan op gevoel. In mijn vak ligt dat vaak moeilijker, moet elke beslissing verantwoord kunnen worden en staan tentoonstellingsconcepten centraal. Dat hoeft niet altijd bezwaarlijk te zijn, zolang het de intuïtie niet belemmerd, maar je kunt je voorstellen dat het juist daarin nogal eens wringt. Als jullie initiatief al is op te vaten als daad tegen alle nihilisme omtrent schilderkunst, dan is het belang er vooral in gelegen dat deze wordt gesteld door mensen die het vak zelf bedrijven. Jullie zijn schilder en de tentoonstellingen die jullie hopen te maken kunnen niet alleen een verfrissend beeld geven van de hedendaagse voorstellingsloze kunst, jullie kunnen laten zien dat ze überhaupt nog bestaat en een wereld aan betekenissen kan genereren. Dat levert misschien niet die spectaculaire schilderijenpresentaties op die ‘onze openaar’ en geestverwanten zouden wensen, maar het kan wel begrip kweken voor de afzonderlijke uitgangspunten en opvattingen van schilders en de ‘innerlijke noodzaak’ die hen ertoe beweegt zich in die specifieke beelden uit te drukken.
Ofschoon de richtingen binnen de abstracte schilderkunst die jullie willen tonen, inmiddels tot het repertoire van de kunstgeschiedenis behoren, kunnen ze nog steeds rekenen op weerstand. En dat is eigenlijk ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt hoe wij dagelijks worden overstelpt met beelden, die via allerlei kanalen tot ons komen. Ons kijken lijkt bijna geheel geprogrammeerd om foto’s, film, video, televisiebeelden snel te ordenen en te verwerken. ‘Als het niks voorstelt kan ik er niks mee’, verklaarde iemand onlangs tegen mij toen we samen voor een schilderij van Jaap Nanninga stonden. Hij maakte daarmee duidelijk dat de taak die kunsthistorici en -critici hebben om die vormen van kunst en perspectief te plaatsen een blijvende is en dat tentoonstellingen ervan nooit in actualiteit inboeten, zolang kunstenaars er een persoonlijke dimensie aan toe voegen. Voor mij schat de bijzondere waarde die schilderkunst kan hebben ten opzichte van andere disciplines erin, dat ze door haar ‘traagheid’ de overwegingen die in elke handeling besloten liggen, kunstenaars in staat stelt persoonlijke emoties, problemen en conflicten te verwerken tot beelden die het particuliere ontstijgen en iets krijgen van een universele waarheid. Om die te verstaan moet de toeschouwer zich doorgaans wel enige moeite getroosten. Hij of zij moet zich ten minste ontvankelijk opstellen ten opzichte van werelden die hem of haar in eerste instantie onbekend voorkomen. Schilderijen zoals Vincent Hamel, J.C.J. Vanderheyden, Jus Juchtmans, Ton Mars, Sybille Pattscheck, Thomas Rajilich – om er een paar te noemen – maken, zijn niet bedoelt om te behagen, zijn nooit eenduidig, kennen meerdere betekenislagen en vragen om aandacht, reflectie en inlevingsvermogen. En zijn het niet juist deze aspecten die nogal eens in het gedrang komen nu maatschappelijke tegenstellingen op de spits worden gedreven. Ik geloof niet dat de schilderkunst in het bijzonder en beeldende kunst in het algemeen oplossingen kan bieden, maar wel dat ze onverwachte perspectieven kan openen, het kijken en denken kan meevoeren buiten het gekende en kan ontroeren. Daarin vooral ligt haar maatschappelijke relevantie. Ik hoop van harte dat jullie tentoonstellingen van het abstracte daar enigszins aan kunnen bijdragen.

Succes met jullie plannen – vriendelijke groet,

Han Steenbruggen
Curator Groninger Museum

JV--logo-wit

JUDITH DE VET

HEDENDAAGSE KUNSTENAAR

© 2021 Judith de Vet